Naar inhoud
thuisloket

Negatief advies van gemeente Lille over leidingstraat Antwerpen-Ruhr

de drie mogelijke tracés
Vlaanderen maakt een uitvoeringsplan om een reservatiestrook vast te leggen voor een ondergrondse leidingstraat tussen de Antwerpse haven en het Ruhrgebied. Een leidingstraat is een zone waarin pijpleidingen gebundeld kunnen worden aangelegd.  Eén van de drie mogelijke trajecten loopt door Lille.

Op basis van het huidige dossier kan het gemeentebestuur geen positief beleidsadvies geven. Het advies van de gemeente wordt vanavond besproken op de gemeenteraad.

De gemeente Lille wordt door voorliggend ontwerp GRUP zwaar ‘geïmpacteerd’, met name door het ‘noordelijke tracé’ of het zogenoemde ‘openruimtetracé’. Dit noordelijke tracé komt in onze gemeente binnen ten noorden van de dorpskern van Wechelderzande, zet vervolgens verder tussen de twee dorpskernen Gierle en Lille, tot de noordelijke zijde van de dorpskern Poederlee, om uiteindelijk (nadat het tracé een stuk over het grondgebied van de gemeente Kasterlee heeft gelopen) zuidelijk onze gemeente opnieuw binnen te komen ten zuidoosten van de dorpskern van Poederlee. Het voorgestelde tracé doorkruist op die manier de ganse gemeente, van het noordwesten tot het zuidoosten. Hierdoor wordt over een gigantische lengte de openruimte geïmpacteerd, met mogelijke gevolgen voor de openruimtekwaliteiten en met mogelijke gevolgen van de openruimtegebruikers.

Kader

De Vlaamse Regering keurde op 18 december 2020 de startnota goed voor de opmaak van het GRUP Leidingstraat Antwerpen-Ruhr (Geleen). Het plan ligt op het grondgebied van 45 gemeenten in Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant.

Dit GRUP heeft als doel een reservatiestrook vast te leggen voor een ondergrondse leidingstraat tussen de haven van Antwerpen tot aan de grens met Nederland (Geleen) en verder door tot in het Ruhrgebied. Een leidingstraat is een zone waarin pijpleidingen gebundeld kunnen worden aangelegd.

In het onderzoek komen drie mogelijke tracés aan bod, gelegen in Antwerpen, As, Balen, Beerse, Beringen, Brecht, Diest, Dilsen-Stokkem, Geel, Genk, Grobbendonk, Halen, Ham, Hasselt, Hechtel-Eksel, Herentals, Herenthout, Houthalen-Helchteren, Kalmthout, Kapellen, Kasterlee, Laakdal, Leopolsburg, Lille, Lummen, Maaseik, Maasmechelen, Malle, Meerhout, Mol, Olen, Oudsbergen, Peer, Ranst, Rijkevorsel, Schoten, Stabroek, Tessenderlo, Westerlo, Wijnegem, Wommelgem, Wuustwezel, Zandhoven, Zonhoven en Zutendaal.

Slechts één van de drie tracés loopt effectief door de gemeente Lille.

De publieke raadpleging loopt nog tot 30 april 2021. Tot deze periode kunnen opmerkingen en adviezen worden bezorgd aan het Departement Omgeving, Afdeling GOP, Graaf de Ferrarisgebouw, K. Albert II-laan 20 bus 7, 1000 Brussel.

Concreet voor de gemeente Lille worden 348 percelen getroffen door het openruimtetraject dat door de gemeente Lille loopt.

Van deze 348 percelen zijn er 12 percelen waarop ofwel een hoeve, ofwel een woning of weekendverblijf aanwezig is. De constructies zelf worden niet getroffen door de leidingstraat en kunnen wellicht behouden blijven, hoewel de zone die gereserveerd wordt voor de aanleg van de leidingstraat effectief over het perceel loopt.

Op 1 perceel van de 348 getroffen percelen bevindt zich een weekendverblijf dat binnen de zone die wordt voorzien van de leidingstraat gesitueerd is, en bijgevolg zal moeten worden gesloopt.

Van de 348 percelen zijn in totaal 21 percelen bebost.

Advies van de gemeente

Onderstaand negatief advies ligt vanavond ter goedkeuring op de gemeenteraad.

De gemeenteraad besluit onderstaand advies over te maken aan Departement Omgeving, Afdeling GOP, Graaf de Ferrarisgebouw, K. Albert II-laan 20 bus 7, 1000 Brussel:

De Vlaamse Regering keurde op 18 december 2020 de startnota goed voor de opmaak van het GRUP Leidingstraat Antwerpen-Ruhr (Geleen). Van 2 maart 2021 tot 30 april 2021 loopt de publieke raadpleging over de startnota, met een digitaal infomoment op 25 en 30 maart en op 6, 8, 13, 15, 20 en 22 april.

Dit GRUP heeft als doel een reservatiestrook vast te leggen voor een ondergrondse leidingstraat tussen de haven van Antwerpen tot aan de grens met Nederland (Geleen) en verder door tot in het Ruhrgebied. Het plan ligt op het grondgebied van 45 gemeenten in Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant.

De gemeente Lille ziet de economische noodzaak van het opzet van voorliggend gewestelijk RUP op macroniveau, waarbij het GRUP doelstellingen op Vlaams niveau tracht te realiseren. De gemeente ziet hierbij ook meerwaarde en duurzaamheidsaspecten op mesoniveau (duurzame vorm van transport kan ook op mesoniveau een meerwaarde opleveren b.v. op het vlak van mobiliteit, reductie van CO2-uitstoot en fijnstofuitstoot gekoppeld aan dit transport, …).

Doch wenst de gemeente Lille evenzeer te benadrukken dat er van voorliggend GRUP ook heel wat bedreigingen en risico’s uitgaan, die zich op mesoniveau (regionaal) en op microniveau (lokaal) situeren. De gemeente Lille vraagt om hierover in het verder onderzoekstraject bij de opmaak van voorliggend GRUP voldoende aandacht te hebben.

De gemeente Lille wordt door voorliggend ontwerp GRUP zwaar ‘geïmpacteerd’, met name door het ‘noordelijke tracé’ of het zogenoemde ‘openruimtetracé’. Dit noordelijke tracé komt in onze gemeente binnen ten noorden van de dorpskern van Wechelderzande, zet vervolgens verder tussen de twee dorpskernen Gierle en Lille, tot de noordelijke zijde van de dorpskern Poederlee, om uiteindelijk (nadat het tracé een stuk over het grondgebied van de gemeente Kasterlee heeft gelopen) zuidelijk onze gemeente opnieuw binnen te komen ten zuidoosten van de dorpskern van Poederlee. Het voorgestelde tracé doorkruist op die manier de ganse gemeente, van het noordwesten tot het zuidoosten. Hierdoor wordt over een gigantische lengte de openruimte geïmpacteerd, met mogelijke gevolgen voor de openruimtekwaliteiten en met mogelijke gevolgen van de openruimtegebruikers.

De gemeente Lille wenst in dit verband volgende opmerkingen en bedenkingen te maken:

Veiligheid

Op pagina 10 van de startnota wordt gesteld dat transport per pijpleiding wordt beschouwd als de meest veilige transportmodus. Vermoedelijk moet dit begrepen worden vanuit de vaststelling dat pijpleidingtransport geen risico kent m.b.t. verkeersongevallen (welke bij vrachttransport per weg, spoor en waterweg wel bestaan).

Nochtans dienen bij deze ‘veiligheid’ ook bedenkingen geplaatst te worden. Een nul-risico op incidenten bestaat immers niet. (Inter)nationaal zijn uit het verleden voldoende gevallen gekend van incidenten met pijpleidingen, vaak met zeer grote impact. Deze risico’s als ook de preventiemaatregelen hieromtrent dienen duidelijk in kaart gebracht te worden, ondermeer in functie van de verhoging van een maatschappelijk draagvlak voor voorliggend GRUP. Dit ontbreekt momenteel in voorliggende teksten.

Ongeacht een mogelijk risico op incidenten moet tevens worden opgemerkt dat in transport door middel van pijpleidingen een bijkomend risico vervat zit, namelijk bij lekken. Dergelijk risico kan een aanzienlijke veiligheidsimpact hebben op zowel natuur en landbouw als op de mens. In voorliggende startnota wordt hieraan geen aandacht verleend. Nochtans is het, om dit risico te kunnen inschatten, noodzakelijk om te weten welke aanlegwijze en wijze van lekdetectie voorzien of opgelegd zal worden.

Landschap

Het voorgestelde noordelijke tracé doorkruist in het noorden van de gemeente Lille de ankerplaats ‘Visbeekvallei’ en in het zuiden en ten zuiden van de gemeente Lille de ankerplaats ‘Heuvelrug tussen Herentals en Lichtaart met de netevallei’. Beide ankerplaatsen typeren zich als waardevolle en complexe landschappen met belangrijke boscomplexen maar ook met nattere waardevolle openruimteplekken in die boscomplexen.

Op pagina 22 van de startnota bij voorliggend GRUP wordt m.b.t. toekomstig bovengrond bodemgebruik gesteld: ‘Het is echter onvermijdelijk dat het bovengronds ruimtegebruik rekening moet houden met een aantal ruimtelijke randvoorwaarden. Dit betekent dat binnen de reservatiestrook van de leidingstraat enkel vormen van bouwvrij ruimtegebruik en tijdelijk/flexibel ruimtegebruik toegelaten kunnen worden. Concreet betekent dit dat er geen bebouwing of bepaalde beplantingen (o.a. bomen en diep wortelende struiken) mogelijk zijn, maar wel verhardingen voor bv. parkings, fietspaden, ook voorzieningen als (verplaatsbare) zonnepanelen, productie biomassa, natuurinrichting (m.u.v. bos), en grondgebonden landbouw (m.u.v. bepaalde teelten).’

Vanuit het opzet van voorliggend GRUP is het m.b.t. beoogde doel (een leidingstraat) logisch dat dergelijke beperkingen aan bovengronds ruimtegebruik worden gesteld. Dit neemt evenwel niet weg dat de impact hiervan op o.a. (beboste) landschappen zeer aanzienlijk kunnen en zullen zijn. Landschappelijk betekent dit in een bebost landschap namelijk een lineaire kaalkap over een uiterst lange strook, met een breedte van minimaal 45 meter, dwars door het landschap heen. Het versnipperend effect en de landschappelijke gevolgen ervan mogen niet onderschat worden.

Nochtans moet worden vastgesteld dat over ‘Landschap en erfgoed’ in de startnota op pagina 42 wordt gesteld: ‘Er kan gesteld worden dat door het ondergrondse karakter van een leidingenstraat, de impact op landschap en erfgoed minder doorweegt dan de overige aspecten.’

Deze stellingname in de startnota is totaal onbegrijpelijk en volledig onjuist. De impact van een kaalkap en een definitieve vegetatiewijziging zal immers een zeer aanzienlijke impact hebben op de landschapskwaliteiten en de eraan gekoppelde erfgoedkwaliteiten.

In dit verband moet bovendien in vraag gesteld worden of de afbakening van het onderzoeksgebied wel voldoende ruim wordt uitgezet om de impact op landschap en erfgoed voldoende en in haar volledigheid te kunnen vatten. Op pagina 36 en 37 van de startnota wordt het onderzoeksgebied afgebakend. Dit onderzoeksgebied wordt als volgt afgebakend: ‘de oppervlakte ingenomen door het standaard onderzoeksgebied van 250 meter langs weerszijden van het tracé (“OG”).’ Hierbij kunnen we lezen dat deze afstand van 250 meter voort vloeit uit de maximaal na te streven veiligheidsafstand, namelijk die voor aardgasleidingen in geval van incidenten. Het is mogelijk begrijpelijk dat die afstand gehanteerd wordt voor het inschatten van (veiligheids)risico’s en andere impact bij disciplines zoals mens en mobiliteit. M.b.t. andere disciplines zoals landschap en erfgoed (maar b.v. ook natuur en water), is helemaal niet duidelijk of de genomen breedte van het onderzoeksgebied (namelijk 250m aan beide zijden van het plangebied) voldoende is om elke impact in te kunnen schatten.

Op landschappelijk vlak moet worden vastgesteld dat de impact van een langgerekte lineaire kaalslag doorheen een complex (deels) bebost waardevol landschap zoals de Visbeekvallei en de Kempense Heuvelrug zeer impactvol is. De impact ervan overstijgt daarbij ruim de gestelde afstanden van 250m aan beide zijden van het plangebied. Er kan hierbij zelfs gesteld worden dat gans het landschap hierdoor geïmpacteerd wordt. Mogelijks heeft deze ingreep zelfs een impact op de landschapsbeleving in overige delen van de openruimte welke zich rond deze landschappen bevinden.

Er moet dan ook gesteld worden dat vooropgestelde breedte van het onderzoeksgebied ruim onvoldoende is om de impact van voorliggend plan op het landschappelijk aspect te onderzoeken. Zeker als het hierbij gaat om erfgoedlandschappen, maar ook niet beschermde landschappen kunnen waardevol en lokaal uitermate belangrijk zijn.     

Landbouw

Er moet worden vastgesteld dat het noordelijk tracé op het grondgebied van de gemeente Lille voor een heel aanzienlijk deel gelegen is in een agrarisch gebied volgens het gewestplan. Het betreft voornamelijk herbevestigd agrarisch gebied (HAG). Er moet dan ook met zekerheid gesteld worden dat voorliggend RUP een impact zal hebben op het agrarisch bodemgebruik in deze gebieden.

Over de inschatting van deze impact is in de startnota op pagina 79-80 het volgende opgenomen: ‘De impact op het grondgebruik (landbouw e.d.), op gevoelige en kwetsbare (natuur)gebieden wordt minimaal gehouden door de toepassing van specifieke maatregelen en vergoedingen, waaronder:

het behoud van de gelaagdheid van de bodem en de teelaarde, vermindering van de breedte van de werkzone, diepere aanleg;

grondeigenaars en -exploitanten worden volledig vergoed voor de eventuele schade die ze ondervinden tijdens de aanleg van de leiding;

Voor landbouwgewassen en eventuele structuurschade zijn de vergoedingen vastgelegd in protocolovereenkomsten, afgesloten tussen landbouworganisaties en de betrokken leidingeigenaa

Op p. 22 van de startnota wordt m.b.t. toekomstig bovengronds bodemgebruik gesteld: ‘Bij bestaande landbouwgronden wordt in principe de ruimtelijke basisbestemming behouden en zullen er geen andere vormen van ruimtegebruik voorzien worden. Na de aanleg van de leiding(en) kunnen de landbouwactiviteiten derhalve onverminderd verder gaan.’

Het is evenwel niet duidelijk wat de gevolgen van de leidingstraat op toekomstig landbouwgebruik na aanleg van leidingen zal zijn. Mogelijk zijn wel permanente gevolgen voor deze agrarische percelen met een waardeverlies als gevolg te verwachten.

Uit de nota blijkt duidelijk dat de agrarische percelen welke getroffen worden door een goedgekeurd tracé de facto brouwvrij agrarisch gebied zullen worden. Dit beperkt uitdrukkelijk de (bebouwings- en verhardings-)mogelijkheden op de betreffende agrarische percelen. Het is niet duidelijk hoe bij voorliggend GRUP hiermee zal worden opgegaan.

Maar ook bij een bouwvrij agrarisch bodemgebruik lijken gebruiksbeperkingen niet uitgesloten te zijn. Zal de aanleg van (bepaalde soorten) van pijpleidingen een impact kunnen hebben op de teeltkeuze bij bovengronds landbouwgebruik (worden bepaalde teelten uitgesloten)? Zal de aanleg van pijpleidingen een impact hebben bewerkingstechnieken bij bovengronds landbouwgebruik (ploegwijze en –diepte, terreinophogingen, …)? Wordt in voorkomend geval voorzien in een schadeloosstelling voor dergelijk gebruiksschadeverlies? Wie zal hierin voorzien (de plannende overheid, de exploitant van de pijpleiding, …). Het is duidelijk dat dergelijke vragen dienen uitgeklaard te worden in het kader van de opmaak en goedkeuring van voorliggend ontwerp GRUP.

Natuur – biodiversiteit

De verschillende tracés kruisen nogal wat beschermde natuurgebieden. Het gaat om Vlaamse en erkende natuurreservaten, habitat- en vogelrichtlijngebieden, bosreservaten, VEN-gebieden en historisch permanent grasland.

Specifiek voor de gemeente Lille doorkruist het noordelijke tracé nogal wat percelen welke zijn aangeduid als erkend natuurreservaat in beheer van Natuurpunt in de vallei van de Visbeek. Het betreft ter hoogte van de Visbeekvallei ook VEN-gebied (Vlaams Ecologisch Netwerk), evenals in het zuiden en ten zuiden van de gemeente Lille ter hoogte van de Heuvelrug. Het tracé doorkruist in het nooden van de gemeente Lille eveneens een habitatrichtlijngebied. Tevens doorkruist het perceel heel wat percelen met biologische waardevolle en biologisch zeer waardevolle vegetaties (BWK), voornamelijk in het noorden van de gemeente ter hoogte van de Visbeekvallei, maar in feite over gans de gemeente verspreid en ook in het zuiden van gemeente ter hoogte van de Kempense Heuvelrug.

Gelet op het te verwachten bodemgebruik en de aan de aanleg van een leidingenstraat gekoppelde permanente vegetatiewijziging kan een aanzienlijke impact op de aangehaalde natuurwaarden, op de biodiversiteit en ook op de waterhuishouding in deze gebieden verwacht worden.

Op pagina 50 van de startnota wordt m.b.t. het ruimtegebruik gesteld: ‘Het overgrote deel van de doorsneden gebieden betreffen openruimtegebied en zijn compatibel met de aanwezigheid van een leidingenstrook, hetgeen betekent dat de oorspronkelijke bodemstructuur en landgebruik na aanleg van de leidingen kunnen worden hersteld. Een beperkt aantal niet-compatibele landbouwgebieden (bijv. houtige gewassen of serrebouw) worden getroffen, het noordelijke tracé genereert hier aanzienlijk meer impact dan de meer zuidelijke alternatieven.’

Op basis van de omschreven aanlegtechnieken (pagina 79 e.v. in de startnota), moet gesteld worden dat de meest voorkomende aanlegtechniek de ‘open sleuftechniek’ zal zijn. Zeker in onbebouwde gebieden of openruimtegebieden zal voornamelijk voor deze aanlegtechniek gekozen worden. Deze aanlegtechniek wordt in de nota als volgt omschreven: ‘Bij aanleg van leidingen in open sleuf gebeurt de inrichting van de benodigde werkstrook volgens een vrij vast stramien. Hierin zijn zones voorzien om de uitgegraven grond (ondergrond en teelaarde gescheiden) te stockeren, de leiding (op blokken geplaatst) te lassen, de doorgang voor de machines te verlenen (rijpiste), … De benodigde breedte van de werkstrook voor de aanleg van pijpleidingen is afhankelijk van de leidingdiameter en varieert van 15 tot 36 meter.’

Een volledige verstoring van de bodem en vooral de erop aanwezige vegetatie valt hierbij niet uit te sluiten. Ook het voornemen tot ‘behoud van de gelaagdheid van de bodem en de teelaarde, vermindering van de breedte van de werkzone en diepere aanleg zal niet kunnen verhinderen dat de op de bodem aanwezige vegetatie volledig vernietigd zal worden.

Hierbij moet worden opgemerkt dat bestaande vegetatietypes in de aangehaalde natuurgebieden niet op eenvoudige wijze kunnen geregenereerd worden. B.v. historische graslanden en sommige uitzonderlijke vegetatietypes zijn moeilijk (of pas na zeer lange tijd) opnieuw te genereren na een verstoring van de bodem. Uiteraard zal de impact op beboste vegetatietypes per definitie permanent zijn daar herbebossing wordt uitgesloten omwille van de diepte van de wortels, maar dus ook voor andere (kwetsbare), niet diep wortelende vegetatietypes bestaat de kans op een permanent verlies doordat deze types niet of slechts zeer moeilijk te reïntroduceren zijn na ingrijpende bodemverstoring.

Er moet worden vastgesteld dat uitvoeringsalternatieven worden aangeboden (verschillende soorten van onderboringen), doch daarbij wordt reeds opgemerkt dat die eerder uitzonderlijk en slecht beperkt in lengte zullen worden ingezet. Het inzetten in functie van kruisingen van sommige natuur- en reliëfrijke gebieden wordt niet uitgesloten. Doch gelet op de beperkingen en impact van deze aanlegalternatieven doet vermoeden dat deze alternatieven slechts zeer beperkt zullen ingezet worden.

Het lijkt dan ook zeer noodzakelijk om reeds in deze fase van onderzoek en opmaak van het GRUP in te schatten waar onaanvaardbaar en/of onherstelbare schade aan biotopen en vegetatietypes kunnen worden verwacht. In voorkomend geval kan in het GRUP plaatselijk een aanlegalternatief verplichtend worden opgelegd.

Dit vergt op dit moment van het onderzoek dus een doorgedreven inventarisatie van de aanwezige natuurwaarden, vegetatie, biotopen, habitats, … Dergelijke inventarisatie is noodzakelijk omdat aanwezige biotopen en de kwetsbaarheid ervan vaal heel lokaal kan zijn. Ook de kansen op schade aan deze biotopen kan vaak heel sterk verschillen (de kans op schade als gevolg van verdroging tijdens de aanlegfase kan vaak heel afhankelijk zijn van het biotooptype, ook de afstand waarbij met deze schadekans moet rekening worden gehouden kan lokaal – b.v. op basis van het bodemtype – vaak heel sterk verschillen). Een gedetailleerde en locatie-specifieke analyse is dan ook noodzakelijk.

Nochtans moet worden vastgesteld dat op pagina 71 van de startnota wordt gesteld: ‘Inzake de graad van detail van het effectenonderzoek dient een afweging gemaakt te worden tussen enerzijds een voldoende hoog detailniveau dat toelaat om de milieueffecten van het tracé en de reservatiestrook die zullen worden vastgelegd in het GRUP adequaat te beoordelen, met alle relevante bijhorende milderende maatregelen, en anderzijds een voldoende hoog abstractie- en aggregatie-niveau om een overzichtelijk en leesbaar MER te bekomen met eenduidige conclusies dat kan bijdragen aan de keuze voor het voorkeurstracé dat zal vastgelegd worden in het GRUP.’

En verder wordt op pagina 63 van de startnota specifiek m.b.t. de onderzoeksmethode m.b.t. de dicsipline biodiversiteit  gesteld: ‘De mate van beïnvloeding van de fauna en flora binnen het studiegebied wordt generiek bepaald, de omvang van het studiegebied maakt een gedetailleerde effectbepaling (tot op soortniveau) onmogelijk. Voor deze evaluatie worden volgende doelstellingen vooropgesteld:

  • Maximaal behoud van waardevolle ecotopen en habitats;
  • Vrijwaren van ecologische corridorfuncties;
  • Vrijwaren van habitatkwaliteit door minimale verstoring.

Om de effectgroep “ruimtebeslag” in te schatten zal geraamd worden welke oppervlakte waardevolle biotooptypes rechtstreeks dreigt aangetast te worden ten gevolge van de aanleg van een leiding. Voor de beoordeling van de overige effecten op biodiversiteit zal een kwetsbaarheidsbenadering gebeuren. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat bepaalde ecotopen verenigbaar zijn met een ondergrondse leiding en andere niet of veel minder (bv. bos).’

Een dergelijke generieke aanpak is onbegrijpelijk gelet op de zeer specifieke eigenschappen van de zeer diversie biotopen waar de geplande leidingstraat doorheen kruist. In plaats van een generieke aanpak dringt net een locatie-specifieke aanpak zich op. Hierbij moet worden vastgesteld dat als enige motivering voor een generieke aanpak de ‘omvang van het studiegebied’ wordt aangehaald. Uiteraard stelt de omvang van een studiegebied de plannende overheid niet vrij van haar zorgplichten m.b.t. natuur en biotopen. Bovendien moet worden gesteld dat uit deze motivering niet blijkt dat een generieke aanpak afdoende zal zijn voor de onderzoeksscoop m.b.t. biodiversiteit.

In dit verband moet worden vastgesteld dat voorliggend plan (ongeacht de omvang ervan) tot op perceelsniveau een impact zal hebben op toekomstig ruimtegebruik. Gelet op de doorkruising van het plangebied van meerdere (en zeer diverse) waardevolle natuurgebieden en natuurlijke gebieden moet voor een dergelijke plan met detailleringsgraad én impact op vegetaties tot op perceelsniveau (dus niet generiek) onderzocht worden wat die impact is en of en hoe die kan vermeden worden als de te verwachten impact onherstelbaar is.

Synergie met toekomstig bovengrond bodemgebruik

Op pagina 22 van de startnota wordt m.b.t. het toekomstig bovengrond bodemgebruik het volgende gesteld:

‘Er wordt zo veel als mogelijk getracht om het bestaande bovengronds ruimtegebruik, de geldende planologische bestemming en de bestaande eigendomsstructuur te behouden.

Het is echter onvermijdelijk dat het bovengrond ruimtegebruik rekening moet houden met een aantal ruimtelijke randvoorwaarden. Dit betekent dat binnen de reservatiestrook van de leidingstraat enkel vormen van bouwvrij ruimtegebruik en tijdelijk/flexibel ruimtegebruik toegelaten kunnen worden. Concreet betekent dit dat er geen bebouwing of bepaalde beplantingen (o.a. bomen en diep wortelende struiken) mogelijk zijn, maar wel verhardingen voor bv. parkings, fietspaden, ook voorzieningen als (verplaatsbare) zonnepanelen, productie biomassa, natuurinrichting (m.u.v. bos), en grondgebonden landbouw (m.u.v. bepaalde teelten).

Bij bestaande landbouwgronden wordt in principe de ruimtelijke basisbestemming behouden en zullen er geen andere vormen van ruimtegebruik voorzien worden. Na de aanleg van de leiding(en) kunnen de landbouwactiviteiten derhalve onverminderd verder gaan.

In het planproces zal, indien er zich opportuniteiten voordien, gezocht worden naar mogelijke synergiën met geplande plannen of projecten op de verschillende bestuurlijke niveaus of bebossingsmogelijkheden. Indien er plannen of projecten langs of in het tracé lopende zijn, zal een afstemming tussen de verschillende projecten noodzakelijk zijn.’

Het is jammer dat bij de mogelijkheden van toekomstig bodemgebruik niet wordt gezocht naar synergiën op het vlak van de doelstellingen vanuit de ‘Blue-deal’. Nochtans lijkt op het eerste zicht een langgerekt plangebied doorheen openruimtegebied kansen te bevatten in het kader van de opvang van droogteperiodes en/of overstromingsrisico’s. Dergelijk bodemgebruik lijkt immers perfect combineerbaar met het beoogde ondergrondse bodemgebruik van de leidingstraat. Mogelijk kan hierbij zelfs een medegebruik of gedeeld gebruik met ander bovengronds bodemgebruik (recreatie, landbouw, natuur, …) voorzien worden. Hierbij moet worden opgemerkt dat het noordelijk tracé meerdere natte gebieden doorkruist (ook op het grondgebied van de gemeente Lille).

Inspraak als lokaal bestuur

Op pagina 15 van de startnota wordt gesteld: ‘De Gemeentelijke Ruimtelijke Structuurplannen van de gemeenten doen geen uitspraken over het aanleggen van een leidingstraat. In deze fase van het onderzoek is het niet zinvol om in detail in te gaan op de verschillende opties uit de verschillende gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen of in opmaak zijnde beleidsplannen. Eens de tracékeuze verder verfijnd en geconcretiseerd wordt, zal ingezet worden op een intensieve samenwerking met de lokale besturen. Indien een meerwaarde kan gevonden worden om een lokaal beleid in dit plan mee op te nemen en de visie ervan verder uit te werken dan zal bekeken worden of dit mee kan opgenomen worden. Indien er lokale beleidsvisies verder uitgewerkt worden in dit plan dan zullen alle relevante elementen onder dit punt opgenomen worden.’

Het gemeentebestuur van Lille wenst te onderstrepen dat ze deze zienswijze betreurt. Op zich klopt het enerzijds dat in het GRS Lille geen uitspraak wordt gedaan over het aanleggen van een leidingstraat. Anderzijds moet gesteld worden dat in het GRS Lille weldegelijk uitspraak wordt gedaan over de gewenste ruimtelijke ontwikkeling binnen de verschillende ruimtelijke deelzones van het gemeentelijk grondgebied. Het voorgestelde noordelijke tracé welke gans de gemeente Lille volledig doorkruist is (voor wat betreft het grondgebied van de gemeente Lille) grotendeels gelegen in openruimtegebied. Er moet hierbij worden opgemerkt dat in het GRS voor de verschillende deelruimtes een uitvoerige ruimtelijke visie werd uitgewerkt voor deze openruimtegebieden. Minstens lijkt hierbij in het kader van voorliggend GRUP onderzocht te moeten worden hoe de reservering en aanleg van de leidingstraat in deze deelgebieden zich verhoudt ten opzichte van de in het GRS opgenomen ruimtelijke visies voor de deelgebieden waarin het GRUP zal gelegen zijn.

Meer algemeen gesteld wenst het gemeentebestuur te onderstrepen dat de gemeente Lille zelf ook een plannende overheid is, met taakstellingen en doelstellingen op het vlak van Ruimtelijke Planning. In dat verband wenst het gemeentebestuur in het verdere verloop van de opmaak en goedkeuring van voorliggend GRUP dan ook nauwer betrokken te worden. De gemeente ziet haar rol hierbij immers veel ruimer dan enkel het kunnen uitbrengen van een advies of bezwaar in het kader van een procedureel verplichte openbaarmaking. Het gemeentebestuur wenst vanuit haar lokale bevoegdheid als ruimtelijk plannende overheid en gesterkt door haar uitermate grote expertise en kennis van de plaatselijke ruimtelijke toestand van het terrein dan ook actief betrokken te worden bij de verdere opmaak en goedkeuring van het GRUP Leidingstraat, minstens voor de delen die betrekking hebben op haar eigen gemeentelijk grondgebied.

Meer informatie

De startnota voor de opmaak van het GRUP stelt drie te onderzoeken tracés voor waarvan er één door onze gemeente loopt. Reageren op de startnota kan tot 30.04.2021. Uitgebreide informatie vind je op de website van de Vlaamse overheid.

Datum van het bericht: woensdag 28 april 2021

Alle nieuws